
de Volkskrant
6 mei 2017 zaterdag
Section: Sir Edmund; Blz. 6
 RONALD VELDHUIZEN
Highlight: Berichten verspreiden zich vaak razendsnel, of ze nu kloppen of niet. Wij proberen de zin van de onzin te scheiden. Deze week: Nederland verstrekt subsidies voor windmolens die geen wind vangen.
Van wie komt die claim?
'De zuiverste vorm van verspillen van belastinggeld', noemt schrijfster Marianne Zwagerman het windmolensubsidiebeleid van Nederland in het programma WNL Opiniemakers. Want, heeft ze ontdekt: hoe minder het ergens waait, hoe meer subsidie je krijgt om er een windmolen te bouwen. Met een 'windkaart' wordt dat bepaald. 'Dus er is beleid om te stimuleren dat je windmolens bouwt op een plek waar het niet waait', zegt ze. 'Geen ondernemer zou op die plek een windmolen neerzetten.'
Klopt het?
Om te beginnen: echt windstille gebieden zijn er niet in Nederland, blijkt uit de windkaart waar Zwagerman naar verwijst. Die kaart wordt opgesteld door het KNMI en ondergebracht in de zogeheten Klimaatatlas. 

Aan zee waait het soms wel harder dan 9 meter per seconde op honderd meter hoogte, dieper landinwaarts is een kracht van 6 tot 7 meter per seconde op die hoogte geen uitzondering. Zelfs Oost- en Zuid-Nederland zijn winderiger dan Spanje, Duitsland en grote delen van Italië, blijkt uit een Europese windatlas die Deense energiebedrijven gebruiken. Desondanks waait het vrijwel overal hard genoeg om windenergie op te wekken. 

En of ze nou op windrijke plekken staan of niet: álle windmolens in Nederland krijgen subsidie. Navraag bij het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) leert dat die subsidie vooral bedoeld is om energieproductie uit wind te blijven stimuleren nu de elektriciteitsprijs historisch laag ligt. Dat komt onder meer doordat Duitsland vaak overschotten wind- en zonne-energie produceert en Nederland die goedkoop importeert. 'Als de prijzen op het niveau van 2008 lagen, hadden veel windturbines van nu die hele subsidie niet eens nodig', zegt ECN-onderzoeker Sander Lensink. 

En inderdaad: er gaat méér subsidie naar windmolens die iets minder wind vangen. Dat verschil bestaat om het speelveld voor windenergieondernemers gelijk te trekken, aldus Lensink. Zo kan de energie uit een turbine in Limburg toch verkocht worden ondanks de hevige concurrentie aan de kust. Zo'n molen moet dan wél draaien: ondernemers krijgen namelijk alléén subsidie per opgeleverde kilowattuur. Zou het dus helemaal niet waaien in Limburg, dan ontvangen windmolenexploitanten daar ook geen cent subsidie over.
Eindoordeel?
Er gaat inderdaad extra subsidie naar windmolens in windarmere gebieden, om eerlijke concurrentie mogelijk te maken; niet omdat het daar te weinig waait voor de productie van windenergie. 





